Opinie: Verengelsing maakt onderwijs slechter

Auteur: 
Bruno De Wever

Aan de universiteit wordt steeds minder in het Nederlands gedoceerd en dat komt de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. Los daarvan is het ook maatschappelijk een slechte zaak, schrijven Gita Deneckere, Bruno De Wever en Antoon Vrints.

Opinie verschenen in De Standaard, 1 december 2016

Universitaire bestuurders hielden de afgelopen dagen pleidooien om de ‘verouderde’ en ‘inefficiënte’ taalregeling voor het hoger onderwijs te versoepelen, dat wil zeggen de universiteiten en hogescholen meer ruimte geven om onderwijs in het Engels te organiseren. Toen de taalwetgeving in 2010 in Vlaanderen – zonder noemenswaardige publieke discussie – werd versoepeld, was het compromis dat op masterniveau een opleiding volledig in een andere taal kon worden georganiseerd op voorwaarde dat dezelfde opleiding aan een andere Vlaamse universiteit overwegend in het Nederlands werd gedoceerd. Amper vier jaar na de invoering van deze regeling in 2012 blijkt al dat hier op zijn Vlaams creatief mee wordt omgegaan. Dat wil zeggen dat de wet wordt ontweken. Er worden spookopleidingen in het Nederlands aangeboden.

Wie in bepaalde ingenieursopleidingen een Nederlandstalige master wil volgen, wordt de facto tot zelfstudie gedwongen. ‘Hou je de komende twee jaar in stilte in het Nederlands bezig’ of volg – geheel vrijblijvend natuurlijk – de colleges die in het Engels worden aangeboden. Als een master niet wordt gegeven door toegewijde en enthousiasmerende professoren, mag je niet verwachten dat er veel studenten op afkomen.

Waarom is die verengelsing nodig? Studenten willen het, zo wordt beweerd. Engels heeft meer prestige en Vlaamse universiteiten willen hun studenten liever niet zien weglopen naar de Engelstalige masters van de concurrentie. Taalbarrières belemmeren ook de instroom van buitenlandse studenten en van anderstalige proffen, die immers Nederlands moeten leren om een vaste aanstelling te kunnen krijgen.

Best in de moedertaal

Laten we die gedateerde taalwetgeving eens tegen het licht houden. De taal van het onderwijs is geen technocratische aangelegenheid die door bestuurders en ondoorzichtige systemen geregeld kan worden, maar een vraagstuk van groot maatschappelijk belang. Zij verdient een open discussie en een transparante besluitvorming. Wat is de impact van een versoepeld taalregime op de praktijk van het onderwijs en hoe wordt de instroom van studenten hierdoor beïnvloed?

Pleidooien voor meertaligheid in een superdiverse samenleving klinken goed, maar in de context van het hoger onderwijs in Vlaanderen gaat het – voor alle duidelijkheid – om een vrijwel exclusieve verengelsing naar het voorbeeld van Nederland, waar intussen ongeveer 60 procent van de opleidingen in het Engels is. Vlaamse universiteiten en hogescholen verengelsen sinds de versoepeling in 2012 in ijltempo, alle taalbarrières ten spijt. In 2015, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, werd al meer dan een vijfde van de initiële masteropleidingen geheel in het Engels aangeboden, 98 op 454 om precies te zijn. Soms zijn daar goede redenen voor. Maar dat in vrijwel alle opleidingen het aandeel Nederlandstalige vakken zienderogen terugloopt, niet alleen aan de ingenieursfaculteiten, ook in een opleiding als geschiedenis, is meer dan zorgwekkend. Die evolutie valt niet zozeer toe te schrijven aan de toenemende aanwezigheid van anderstalige docenten en studenten, maar aan Nederlandstalige docenten die steeds vaker in het Engels lesgeven aan hoofdzakelijk Nederlandstalige studenten.

Dat dit om pedagogische redenen problematisch is, moet in de publieke discussie meegenomen worden. Hoger onderwijs is gericht op verdieping, ideeënuitwisseling op het hoogste niveau, op zelfstandig denken en werken. Dat kun je het best leren in je moedertaal of ten minste de taal waarin je de middelbare school doorlopen hebt. Je moet een taal al goed onder de knie hebben om je er op academisch niveau gepassioneerd en fijnzinnig in uit te drukken. Dat geldt zowel voor studenten als voor docenten. Hele opleidingen verengelsen in de hoop buitenlandse studenten aan te trekken, gaat ten koste van de onderwijskwaliteit van de Nederlandstalige studenten. Velen onder hen hebben nu al moeite met het academisch Nederlands, hoe is het dan na een Nederlandstalige middelbare schoolopleiding met het academisch Engels gesteld? In Nederland regent het overigens klachten over het steenkolenengels van Nederlandstalige docenten in zogenaamd Engelstalige opleidingen. In Vlaanderen zijn de klachten vooral gericht tegen de betuttelende taaltest waaraan Nederlandstalige docenten onderworpen worden alvorens ze in het Engels les mogen geven.

De emancipatiegedachte

Mogen we de geschiedenis inschakelen in ons pleidooi voor een zorgzame omgang met het Nederlands als onderwijstaal? Als trotse alumni van de eerste vernederlandste universiteit in Vlaanderen (1930) willen we die sociale verworvenheid blijven koesteren. ‘Vlaming zijn om Europeeër te worden’, de gevleugelde woorden van August Vermeylen uit 1900 worden vandaag oneigenlijk gebruikt om voor de verengelsing van het onderwijs te pleiten. Nu een middenklasse Vlaming is geworden via de hefboom die de vernederlandsing van de universiteiten heeft geboden, heeft datzelfde Nederlands zijn nut kennelijk bewezen. Voor de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit was de taalstrijd onlosmakelijk verbonden met de emancipatiegedachte. Als sociaaldemocraat zou hij blijvend pleiten voor Nederlandstalig hoger onderwijs, zodat Nederlandstalige advocaten, artsen, leraren, filosofen en, ja, ook ingenieurs terugvloeiden naar de maatschappij die hen nodig had. Het was zijn overtuiging dat alleen hoger onderwijs in de volkstaal het volk zou verheffen en optillen in de vaart der volkeren.

Van een Europese demos is voorlopig nog lang geen sprake. Het volk komt net in opstand tegen Europa via een onrustwekkende heropleving van nationalisme en populisme. De verengelsing vergroot de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden op een ogenblik dat het hoger onderwijs als sociale emancipatiemachine stokt. Een universiteit die het Nederlands zelf niet cultiveert, vervreemdt van de bevolking die belastingen betaalt om haar in het algemeen belang te financieren. Bovendien moeten laagopgeleide migranten Nederlands leren om zich in te burgeren, terwijl dat van de hoogopgeleide migrant-universiteitsprofessor die er de skills en de brains voor heeft kennelijk niet mag worden verwacht.

Cultureel deficit

Als internationaliseringsbeleid aan universiteiten en hogescholen exclusief neerkomt op een utilitaire verengelsing, levert dat ook een cultureel deficit op. De uitbreiding van het Engels als lingua franca kan dan wel de mobiliteit en uitwisseling van studenten en docenten bevorderen, door de dominantie van één gemeenschappelijke taal komen niet alleen de kleine culturen, maar zowat alle andere culturen en talen, ook het Frans, het Duits of het Arabisch, in de verdrukking en zo hebben ze minder te bieden hebben in de culturele uitwisseling. August Vermeylen was tijdens het interbellum de Belgische vertegenwoordiger bij het International Committee for Intellectual Cooperation, voorloper van de Unesco. Meertaligheid werd toen al onontbeerlijk geacht om naast de Volkenbond en het machtsspel van de internationale politiek ook een internationale société des esprits tot stand te zien komen. Zo beoogde ook het Erasmusprogramma (1987) de onderdompeling in de taal en cultuur van de ontvangende universiteit. Eenheid in verscheidenheid, zoals Vermeylen Europa zag. De Bologna-hervormingen hebben het kosmopolitisme van Erasmus helaas verlaten voor het rendementsdenken. In Nederland valt de schade nu al op te meten.

Auteurs: Gita Deneckere, Bruno De Wever en Antoon Vrints

Lees de reactie van

Filip Vermeylen in DS 2 december: Reizen in de eigen klas

Historica Magaly Rodriguez Garcia in DS 6 december: Van meer Engels wordt je Nederlands beter

 

 

do, 12/01/2016 - 10:36