Historici, privacy en ethiek

Auteur: 
Tamar Cachet

Gastauteur: Laura Nys

 

Het persoonsdossier: een intieme goudmijn

“In 2077 krijgt doctoranda Angelica Janssen, historica aan de UGent, toestemming tot volledige inzage in jouw facebookprofiel, inclusief je gesprekken. De onderzoekster gebruikt je persoonlijke informatie voor haar onderzoek. Om je privacy te beschermen, noemt ze je voortaan Janneman Robinson. Hoe voel je je hierbij?”

Dit is de vraag die 13 studenten uit de tweede bachelor geschiedenis kregen voorgeschoteld tijdens een debatcollege voor het vak “Historische Praktijk”. Allen doen ze historisch onderzoek naar jeugddelinquentie, in het bijzonder naar jongeren die aan het begin van de twintigste eeuw in een heropvoedingsinstelling verbleven. Voor elke jongere werd bij zijn of haar binnenkomst in de instelling een persoonsdossier samengesteld, met onder meer gegevens over diens gerechtelijk verleden, psychologische onderzoeken, tuchtformulieren en soms persoonlijke briefwisseling van de jongere met zijn/haar ouders. Voor historici zijn zulke dossiers een ware goudmijn.


Het (niet-geanonimiseerde) dossier van Hélène Greef uit het Rijksweldadigheidsgesticht
van Sint-Andries, ca. 1893 (RA Brugge, M35, 1321, 202, met dank aan RA Brugge)

Tal van dossiers uit de vroegere ‘Rijksopvoedingsgestichten’ worden bewaard in de Rijksarchieven. Onderzoek/st/ers die dossiers jonger dan honderd jaar oud willen raadplegen, moeten hiervoor toestemming vragen bij het Agentschap Jongerenwelzijn en in publicaties moeten de persoonsnamen geanonimiseerd worden. De grens van honderd jaar wordt ingegeven door de idee dat de betrokken personen inmiddels overleden zijn. Maar zelfs als de vereisten van het juridisch kader worden nageleefd, heeft het lezen van de dossiers vaak iets weg van schaamteloos voyeurisme. Hoewel ethische vraagstukken wel enigszins worden besproken als het gaat om tentoonstellingsethiek, is dit minder het geval voor onderzoeksethiek. Nochtans is het gebruik van zulke delicate bronnen wel een reflectie waard.

Jouw facebookprofiel in historisch onderzoek in 2077

Hoe zou je zelf reageren moest je ontdekken dat jij via jouw facebookgegevens – openbaar profiel én privégesprekken – zou figureren in onderzoek? 29% van de studenten ziet er geen graten in. Ze zien hun facebookprofiel en zichzelf als twee aparte dingen, en gaan ervan uit dat ze niet herkend zullen worden door hun omgeving. Een even grote groep denkt dat zijn/haar omgeving hem/haar wél zou herkennen uit de beschrijvingen, maar gaat niettemin akkoord. “Als het bijdraagt aan onderzoek, waarom dan niet?” klinkt het. Anderen – inclusief ikzelf – vinden hun informatie en facebookgesprekken te delicaat en zouden vragen om uit het onderzoek geschrapt te worden.

Misschien is dit precies hoe jongeren van 80 jaar geleden zouden reageren, als ze zouden weten dat hun intieme correspondentie en andere gegevens uit hun persoonsdossier worden gebruikt voor historisch onderzoek. Om vanzelfsprekende redenen is het onmogelijk voor historici om de individuele toestemming te vragen aan de historische subjecten in wiens leven ze gretig wroeten. Maar net daarom is het van het grootste belang dat we ons als onderzoek/st/ers ten volle bewust zijn van de ethische vraagstukken die verbonden zijn aan ons bronnenmateriaal.

Toestemming tot raadpleging

Over de vraag of raadpleging van gearchiveerde persoonsdossiers moet worden toegestaan, vindt een kleine meerderheid van de studenten dat iedereen toegang moet hebben, mits voorafgaande toestemming (54%). Uit (internationale) academische hoek zijn over dit algemene principe enkele bedenkingen geformuleerd. Een eerste bedenking is een vorm van zelfkritiek op het statuut van academici: volgens Sonia Combe riskeert een formele aanvraagprocedure namelijk een hiërarchie te creëren tussen onderzoekers die weten hoe ze de procedure moeten starten, en ‘gewone’ burgers, voor wie de formele procedure een hoge drempel vormt.

Een ander risico dat Combe aanhaalt is een mogelijke ongelijkheid tussen onderzoekers. Als de toestemming slechts verleend wordt aan sommige onderzoekers, kan de inhoud van hun werk niet worden afgetoetst door anderen die géén inzage in de documenten krijgen – nochtans een basisvereiste voor de wetenschappelijke kwaliteit van onderzoek. In dictatoriale regimes kan dit worden gebruikt als excuus om wetenschappelijk onderzoek te verhinderen, en zou het zelfs kunnen leiden tot een vorm van censuur. Deze laatste argumenten betreffen echter vooral oorlogsgerelateerde beleidsdocumenten. Voor Belgische persoonsdossiers van jongeren is deze context niet van toepassing. Integendeel; de formele aanvraagprocedure vormt net een garantie op een gelijke behandeling. Niettemin vindt een kleine minderheid onder de studenten dat voorafgaande toestemming niet noodzakelijk zou moeten zijn, maar dan wel op voorwaarde dat de identiteitsgegevens van de lezer geregistreerd worden ter controle (15%).

Het dossier als geheugen van een kindertijd

Ook jongeren die vandaag de dag in een voorziening van de Bijzondere Jeugdzorg verblijven of hebben verbleven, moeten formeel toestemming vragen om hun eigen dossier te kunnen inkijken. Ze kunnen dit doen tot vijf jaar na hun meerderjarigheid. Daarna wordt het vernietigd. Voor hen is hun dossier nochtans van groot belang: het is niet enkel een werkdocument dat hun traject in beeld brengt, maar ook een registratie van hun persoonlijk verleden. Anders dan kinderen die thuis opgroeien, beschikken jongeren in een voorziening vaak niet over foto’s van zichzelf als kind of mijlpalen zoals 'het eerste woordje'. Het persoonsdossier is voor hen dan een ‘geheugen van hun kindertijd’, zoals een medewerker van Cachet vzw[1] het verwoordde tijdens een gastcollege voor dit vak ‘Historische Praktijk’.

Je eigen dossier gaan inkijken valt niet te onderschatten: vaak bevatten de documenten confronterende of eenzijdige informatie; citaten van ouders worden afgeplakt. Al te vaak is het dossier een ‘zwart dossier’, klinkt het: enkel negatieve gebeurtenissen worden erin geregistreerd. Bovendien ben je als kind soms niet klaar om uitgebreid te getuigen over een traumatische gebeurtenis, waardoor er maar één versie van het verhaal in je dossier komt te staan. Cachet vzw pleit dan ook voor een goede ondersteuning tijdens het inkijken van het dossier, en het recht om aanvullingen toe te voegen.

Anonimiseren: respect voor privacy of respect voor individualiteit?

Onderzoek/st/ers moeten er dus voor zorgen dat de betrokken personen onherkenbaar zijn in publicaties. In de praktijk komt dit neer op het weglaten of veranderen van de persoonsnamen van minder dan 100 jaar oud. Een meerderheid van de bevraagde studenten zou de familienamen in hun onderzoek weglaten, maar wel de echte voornamen gebruiken. Indien de wet dit toestond, zou één derde wel degelijk de echte voor- en achternamen gebruiken. Het veranderen van namen kan namelijk een onbedoelde betekenisverandering of connotatie teweegbrengen.

Sommige historici betogen ook dat persoonsdossiers dé uitgelezen kans zijn om een individuele stem te geven aan groepen die doorgaans worden gereduceerd tot ‘de anonieme massa’. Privacybescherming leidt dan paradoxaal genoeg opnieuw tot het voorstellen van deze individuele personen als mensen zonder naam of gezicht.[2] Uit mondelinge geschiedenis blijkt bovendien dat mensen zeer sterke herinneringen hebben aan de aanspreekvorm aan de hand van nummers in de instellingen, zoals Diana getuigt: “Dat nummer is op uw voorhoofd geplakt daar. Ge komt daar binnen [in het weeshuis] en dat is: vanaf nu zijde gij nummer 20”.[3] Zetten historici deze gewoonte dan voort door individuen van hun eigen naam te ontdoen?

Historische afstand: houdt het recht op privacy op bij de dood?

Een bijkomende vraag is de historische afstand: gegevens tot 99 jaar oud worden geanonimiseerd, maar in principe is dit niet meer nodig voor gegevens ouder dan 100 jaar. De grens wordt ingegeven door de idee dat de betrokken personen inmiddels overleden zijn. Maar houdt het recht op privacy dan op bij de dood? En hoe ver terug in de tijd reikt die dan? “Misschien moeten we als grens de periode nemen waarin de familienamen werden vastgelegd,” suggereert een student. Onderzoek over de periode vóór Napoleon zou de namen dan niet hoeven te anonimiseren, aangezien deze personen dan toch niet traceerbaar zijn. Onderzoek vanaf de negentiende eeuw zou dit beter wel doen.

Het recht om vergeten te worden

Een eenduidige oplossing voor wie werkt met privacygevoelig archiefmateriaal is niet voor handen, en dit hoeft ook niet. Maar historici die werken met delicate informatie zouden er goed aan doen zich bewust te zijn van ethische vraagstukken. In een tijdperk waarin wordt gepleit voor het recht om vergeten te worden, zouden historici immers waardevolle argumenten kunnen aanleveren – voor de historische én de hedendaagse context.

Laura Nys is onderzoekster aan de vakgroep Geschiedenis van de UGent.
Haar doctoraal onderzoek spitst zich toe op de emotionele beleving van jeugddelinquenten in heropvoedingsgestichten tussen 1890 en 1965 op basis van egodocumenten.


[1] Cachet vzw is een organisatie die opkomt voor rechten van jongeren in de bijzondere jeugdzorg.

[2] F. Iacovetta en W. Mitchinson, On the case. Explorations in social history (University of Toronto Press, 1998), 6.

[3] L. De Wilde en Bruno Vanobbergen, Mag ik dit vertellen? Stemmen uit de Gentse weeshuizen (1945-1984) (Leuven, 2012), 42.

 

vr, 11/10/2017 - 11:00